Turbulentie.

Het ene moment heb je het gevoel dat je vastzit, op elk gebied zo’n beetje. Het volgende moment vind je met loopbanbegeleiding uit wat je echt wilt en moet je zoeken naar een realistische weg daarnaartoe (quasi onmogelijk, vrees ik), weet je man dat zijn werkgaat verhuizen en dat dichter bij een station wonen echt een must zal zijn en sta je anderhalve week later (nu dus) op punt om in een nieuwbouwproject te stappen. Slik! Daarnaast is het megadruk op het werk en staan er weer eens grote veranderingen op til. Hallo hectiek!

Mijn hoofd draait overuren en mijn slaap schiet er ook best wel bij in, maar ik probeer toch ook mijn gevoel te volgen. Dat zegt dus bijvoorbeeld dat we dat huis moeten kopen, ook al is het geweldig spannend en zal het ons nog veel stress bezorgen. Ik werd er enthousiast van toen we de uitleg kregen, dus als de bank zegt dat het mag, dan gaan we ervoor. Dat gevoel zegt ook dat ik echt voor de andere jobrichting moet gaan. Ik word er blij van erover te lezen, dat zegt toch al veel. De weg ernaartoe, dat is een ander verhaal. Ik ben bang dat het uiteindelijk niet gaat lukken, maar ik geef nog niet op. En het werk… ik heb er veel over te zeggen en overwegend negatiefs, maar ik mag nu wél een tijdje mijn Duits weer bovenhalen. Het gaf me de moed om bij Duitse verkopers maar eens te bekennen dat ik Duits spreek en er meteen heelder gesprekken mee te voeren. Ik heb die taal toch echt gemist. 

Turbulentie ..  maar wel in de goeie richting: vooruit. Als mijn vermoeide lijf nu nog wat wil volhouden, komt het zowaar misschien allemaal nog wel goed!

Advertenties

Het werd stil…

… en tegelijkertijd ook niet. Ik liet me opnemen in het ziekenhuis en probeerde weer te den wat er van me werd verlangd. Al bij al ging het niet slecht: mijn habbittracker leert me dat ik toch 16/22 scoor. Feestweekends met veel te veel ongezond eten namen er al meteen vijf van de slechte in. Ik bleef een week extra thuis, verheugde me erop en viel prompt ziek. Al on het ziekenhuis voelde ik heel sterk dat ik niet terug wilde gaan werken. Tijdens mijn afwezigheid werd van me gevraagd om vanalles in mijn outlook te doen, ik wist hoe het moest en kreeg het toch niet voor mekaar. Twee uur gevloek verder belde ik huilend naar mijn man, die me sommeerde een mail te sturen en te zeggen dat het genoeg geweest was. Ik deed het nog ook (en voelde me er de hele week schuldig over). Ik kreeg enkele dagen later een mail dat er mensen waren ontslagen. Of nee, hun functie zou ophouden te bestaan. Mijn enthousiasme werd steeds kleiner. Ik kwam terug op kantoor en kwam meteen in een gonzend wespennest terecht. Gonzend van geruchten en speculaties, want nieuws kwam er pijnlijk weinig. Dan het bericht dat bepaalde mensen niet ontslagen worden, maar overgenomen door een ander bedrijf. Aan hernieuwde – lees: veel slechtere – voorwaarden. Alle sectorvoordelen vallen weg. De angst raast door het bedrijf en de productiviteit daalt zienderogen. Iedereen doet babbeltjes overal en probeert te bedenken wat ze met ons van plan zijn. En dan krijg ik te horen dat mijn pakket klanten tijdelijk verpatst wordt aan collega’s en dat ik even tijdelijk een andere klantengroep moet doen. Protest wordt van tafel geveegd en ik blijf verbijsterd achter. Zit ik nu niet al weken of zelfs maanden te verkondigen dat ik koste wat kost wil blijven werken, omdat ik nu de kans heb om het systeem en mijn klanten beter onder de knie te krijgen? Alweer zit ik daar met het gevoel dat niks lukt. Elke mail veroorzaakt een lichte vorm van paniek en een koortsachtig zoeken van mijn brein naar wat losse eindjes die ik aan elkaar kan knopen. Daardoor kost alles meer tijd en werkte ik al meerdere avonden ’s avonds door. Ik besloot loopbaanbegeleiding te starten en sprak over solliciteren. Niet nu, zelfs niet in de heel nabije toekomst, maar het waren zinvolle gesprekken. Er was mijn zusje, die zelf op de rand van een inzinking staat. Toen ze dan toch de moed verzamelde om iets tegen haar bazin te zeggen, durfde die nog te antwoorden dat ze er sterker uit zou komen. Dat het moeilijk was, maar dat ze de kwaliteit van haar werk er niet onder mocht laten leiden. Ik voelde een ongekende woede. Ik overwoog zelf 4/5e werken, maar zo lang ik er niet uit ben wat ik dan met de vrijgekomen tijd zou doen, laat iknhet maar zo. Als het is om te poetsen of strijken, laat ik liever iemand dat komen doen. Nu de ziektekiemen mijn lijf weer verlaten – ze waren er nog maar vanaf midden december -, dalen mijn glucoses fel en moet ik continu eten om niet in de problemen te komen. De kilo’s vliegen eraan en ik word gek. Toch blijf ik gaan op de een of de andere manier. En het gaat nog ook momenteel. 

Vooruitgang?

“Ik vind toch dat je kleine stapjes zet”, zei de therapeute. Ik begrijp dat zij dat zo ziet. Ik weet alleen dat het niet blijvend is. Momenteel voel ik me iets minder belabberd en de reden daarvoor is simpel; omdat de compleet ontregelde diabetes mijn gemoed wat vlakker maakt. Omdat het me een houvast geeft, hoewel ik natuurlijk donders goed besef hoe slecht het is. Als ik straks terug mijn insuline spuit en de zakken snoep (bedoeld om de waardes de hoogte in te jagen) aan de kant blijven, dan zal het anders zijn. Echter, rauwer, eerlijker, … maar zoveel zwaarder.

Toch zegde ik toe voor een korte opname volgende week. In het ziekenhuis zal ik moeten doen wat er van me gevraagd wordt en ik weet dat dat me zal lukken. Het is achteraf dat het pijnlijker zal worden, maar ik wil proberen ervoor te gaan. Alleen kijk ik echt niet uit naar het echte voelen achteraf. Naar het moeten luisteren naar mijn lichaam, dat heel veel signalen zal uitstralen die ik nu kan onderdrukken. Elke ‘normale’ diabeet zou me zot verklaren, want die rapporteren zich slecht en moe en emotioneel en opvliegend voelen als symptomen van hoge waardes. Bij mij voel ik dat allemaal al zo hard met goede waardes, dat ik me dus uiteindelijk beter voel als ik dan niet spuit. Vreemd, maar waar.

Ik geniet nog even van hoe het nu is, want de angst voor een hele andere situatie zo ergens eind volgende week is groot. Ik lach met de kindjes, ik maak plannen, ik geniet van kleine dingen … Ik hoop dat het zo zal kunnen blijven, maar de angst is groot. Heel erg.

Ge gaat dat altijd zien.

Ik besloot dat vandaag de laatste afspraak ging zijn bij de psycholoog. Ik zou gewoon zeggen dat ik geen volgende afspraak meer wenste en ook waarom. Eerlijk is eerlijk; ik besloot dat al heel lang geleden, maar het lukte me nooit om het dan toch uiteindelijk te zeggen. Ik ging dus om de zoveel weken toch maar terug, terwijl het nut ervan me lichtelijk ontging. Uiteraard is er nood aan hulp, dat lijkt me duidelijk, maar hij zal toch niet degene worden die me naar betere tijden kan helpen.

Ik besprak het recent met de therapeute, dat ik die psycholoog nog van de hand gedaan moest krijgen. Pas op, dat klinkt denigrerend en zo is het niet bedoeld. Voor mij heeft de beste man weinig te bieden, maar ik ben ervan overtuigd dat andere mensen wél baat kunnen hebben bij hun bezoekjes aan hem. Maar als het voor mij niet werkt, dan is het dus ook aan mij om ermee op te houden en elders mijn heil te zoeken. De therapeute gaf me wat tips en ik vond dus dat ik genoeg moed had om het te gaan zeggen.

Om elf uur stond ik aan zijn deur, helemaal opgeladen en met in mijn hoofd een plan van aanpak. Een jongedame deed open en keek nogal verward. “Euh, hier is juist al iemand anders binnengekomen voor de psycholoog?” Hij werd erbij geroepen en hij had mij inderdaad in zijn agenda staan … voor één uur vanmiddag ipv elf uur.

Ge gaat dat altijd zien, hé. Dan ben ik er eens klaar voor om een lastige boodschap te brengen, dan komt er weer iets tussen. Hopelijk ben ik om één uur nog in dezelfde mood. Het moet.

[Update: om 13u zaagde ik vijftig minuten vol, om dan toch ferm te zeggen dat ik geen volgende afspraak meer wou. Het leek alsof hij hier kwam lezen (???), want hij zei uit zichzelf: als jij het gevoel hebt dat je hier wat komt zagen, maar verder geraak je er niet mee vooruit, dan is het prima als je aangeeft van ermee te stoppen. Kan hij plots in mijn hoofd kijken?! Maar goed, het is me dus toch gelukt en hoewel ik het enerzijds jammer vind – het is gewoon wel een aangename mens en eens goed zagen kan deugd doen – denk ik dat het ook wel goed is. Voilà. Dit hoofdstuk is alvast voorlopig afgesloten.]

 

Beweging.

Er komt beweging in de zaak. Het is te zeggen… De endocrinoloog weet nu al een aantal weken dat het niet gaat. De huisarts ook. De psycholoog en de therapeute ook, maar dat lijkt me maar logisch. Aan mijn collega gaf ik aan dat er fysiek toch wel het een en ander misloopt en zelfs bij mijn bazin liet ik zoiets vallen. Vandaag meldde ik de endocrinologe dat ik een korte opname wel zag zitten. Gisteren sprak ik af met de therapeute dat ik eind januari de ex-psychiater (ze is dat uiteraard nog steeds, maar al heel wat jaren niet meer ‘die van mij’) zou contacteren als het diabetesgedeelte tegen dan niet drastisch verbeterd is.

Er is maar 1 grote onwetende in dit hele verhaal. De echtgenoot. De allerliefste, de mens op aarde waar ik het allermeest om geef, die ik nooit meer kwijtwil. Dat maakt het moeilijk. Als hij zou weten hoe slecht het gaat, zou hij je meer kunnen ontlasten, zeggen ze dan. Alleen is hij ten eerste ziende blind, ik vermoed dat hij het gewoon niet wil zien. Ten tweede heeft hij zelf geen extra marge. Hij is ook moe en heeft ook nood aan ontspanning. Ten derde kan hij het niet (ver)dragen als het niet goed gaat met iemand die hij graag ziet. Mij en de kindjes dus. Hij panikeert, doet vaak niet de juiste dingen en leunt op zo’n momenten heel erg op mij. Dat kan ik nu even niet dragen, dus blijf ik zwijgen.

Maar de volgende stap moet praten zijn. Al was het maar een beetje.

Nachtelijk gezwets.

Om halftien uw bed inkruipen als je omvalt is heel flink. Dat de dochter dan om 22u15 melk wilt, da’s iets minder tof. Om 23u30 mocht ik eindelijk mijn bed instappen. Om 3u15 besloot de jongedame alweer honger te hebben en nadien belette een dubbelstemmig snurkerskoor me van verder te slapen. En dan verschieten dat ik steendood blijf. Ha.

Ik ben rustiger, heb ik de indruk. Minder tranen, minder ruzie, minder angst. De vraag is alleen of dat komt doordat het iets beter gaat, of doordat mijn strategie om mezelf te verdoven (Hallo, eetstoornis! U doet uw werk voortreffelijk.) goed dienst. Er is maar een manier om dat te ontdekken, he. Buiten ermee! Was het maar zo simpel. 

Mijn lijf vindt niet meteen dat het beter gaat. Mijn schouder en nek blijven compleet vastzitten, mijn geheugen weigert dienst, alles doet pijn, ik blijf duizelig, ik maak veel fouten (op het werk, in het dagelijks leven, op de baan, ..), ik blijf sukkelen met verkoudheden en sinussen en dichtgeklapte oren. En stemmen die uitvallen. Als laatste nieuwigheid geeft mijn zicht het op, vooral als ik heel moe ben. Laat dat nu net bijna altijd zijn, ahja. Plots zie ik dan alles wazig en focussen op letters is op zo’n moment bijna niet mogelijk. Over twee weken moet ik toch bij de oogarts zijn, laat ons hopen dat die niets vindt en dat dit lollige nieuwe verschijnsel zich tussen mijn twee oren situeert. 

Stel u voor, ergens hopen dat ze zeggen dat het psychisch is. Dat zal je er ook niet teveel horen zeggen. Ik dus wel.

En is het intussen tijd om me te gaan douchen. De liters zweet die ik iedere nacht laat van me af gaan spoelen en tegelijkertijd iets frisser worden. Daarna is het tijd om de kroost te wekken uit hund dromen vol cadeautjes en weer aan de dagroutine te beginnen. Waar ik gisteren alweer aan het werk moest, eal de rest van de wereld vandaag weer ontwaken. Hopelijk zijn ze nog in feeststemming en laten ze mij nig wat met rust met al hun miserie.

Fijne dag allemaal.  

Als ’t goed is.

… dan moet ge’t ook zeggen, he. Gisteren bijvoorbeeld. Ik zag als een berg op tegen de familiebrunch, maar het viel heel heel goed mee. Het eerste anderhalf uur werd ik nog lichtelijk wanhopig (na de zevende keer ‘hoe is uw naam?’, ik kom nog maar elf jaar mee naar die feestjes, hoor), ontdekte ik dat de zoon de tijd van zijn leven had. Hij klom in de binnenspeeltuin overal op, hij wond grote meisjes om zijn kleine vingertje en kreeg ze zo ver dat ze met hem mee naar boven klommen (heel hoog, mama!) en mee gingen op de glijbaan terug naar beneden. Hij kwam me hoogdringend halen: ‘mama, kom we moeten dansen van de handjes draaien daar bij de andere kindjes!’ en we dwaalden dus samen wat over de kinderdansvloer. Hij at niet schitterend, maar proefde dapper van alles. Mijn moederhart was trots en ik stond verbaasd te kijken hoeveel dapperder hij was geworden sinds vorig jaar. De dochter deed het ook schitterend. Ze at zoals het hoorde, ging vrolijk van schoot tot schoot en toen ze moe werd, legden we haar in de maxi cosi en sliep daar vredig een uurtje. (Jaja, de maxi cosi is daar niet voor bedoeld, maar soms heb je even geen alternatieven of niet voldoende ruimte voorhanden.) Ze werd wakker en was nog steeds vrolijk.

We reden naar huis en beide kindjes vielen in slaap. De echtgenoot en ik keuvelden wat en reden nog wat ommetjes om de kleintjes nog wat te laten doorslapen. 

Eens thuis waren ze allebei vrolijk en flink. Het liep zelfs zo goed, dat ik het lief wat liet slapen in de zetel en het ok vond zo. De zoon leerde nog wat kleine letters (de drukletters kent hij al), de dochter deed pogingen tot poepschuiven en geen van de twee huilde of deed lastig. 

Uiteraard waren er veel imperfecties, maar de hoofdtoon was er toch een van tevredenheid en trots. Het was lang geleden, zo een dag, maar het kan dus toch nog … !

Daarom dus.

Vandaag had ik dus de afspraak bij de huisarts. Als ik zeg dat ik mijn arm nog prima kan bewegen en dat ik nog alles kan doen met die arm, maar dat het wel pijn doet, dan moeten we dat dus niet gewoon geloven. Nee, dan moet ik daar nog even vijf minuten staan turnen en alles in allerlei mogelijke richitngen draaien om dat ook te bewijzen. OK, ik vat het wel, de arts moet mijn beweringen met de werkelijkheid staven, ik weet het. Toen ging hij aan de schouder voelen. ‘Oe, die zit inderdaad wel helemaal vast’, was zijn reactie. Proficiat, mijn beste. En wat gaan we daaraan doen? (Dat vind ik ook altijd zo’n bizarre vraag aan het begin van het gesprek; ‘wat heeft u er al zelf aan gedaan?’. Mijnheer de dokter, weet ik veel, ik ben niet de arts van ons tweeën, he.) Ontstekingsremmers en spierontspanners en binnen de week bent u er zeker vanaf. Het zal me benieuwen. Ik moet ze wel eerst nog durven te nemen, want als ik er op het internet zo wat over lees, kan je daar allemaal prettige nevenwerkingen van krijgen. Duizelig, misselijk, hoofdpijn, … dingen die ik standaard al voldoende over me heen krijg. Ik las zelfs ergens dat je er suf en moe van kunt worden. Stel je voor. Doe dat bij mijn gebruikelijke coctail van uitputting en ik denk dat ik niet meer wakker raak ofzo.

Dan vroeg hij het:’Wilt u nog altijd blijven werken?’ Jep. ‘Blijf goed voor uzelf zorgen’, voegde hij er nog aan toe, terwijl hij me net nog had laten weten een brief van mijn endocrinoloog te hebben ontvangen waarvan hij toch wel was geschrokken. Hmm. Ja, hoor, dat is mijn specialiteit, dat goed voor mijzelf zorgen, ik ga dat hier nu direct in de praktijk kunnen brengen. Hij voegde er dan nog aan toe: ‘wij kunnen daarin niks voor u doen, u moet het echt wel zelf doen’. Inderdaad, mijn beste, maar de manier waarop u dat hier nu brengt, geeft me wel het gevoel dat u niets voor mij wilt betekenen als ik niet zelf er volledig voor ga of als ik koppig blijf beweren te willen blijven werken. Goed dan. Daarom was ik dus bang om te gaan. Eens het out in the open is dat het niet zo goed gaat, moet je maar meteen weer in het gareel lopen en alles doen zoals het verwacht word. Thuisblijven tot daar, mijn insuline weer oppakken lijkt plots vanzelfsprekend. Het is niet omdat ik het misschien wel wil, dat het plots vanzelf gaat, he. Als het zo evident was, dan zat ik hier nu niet met dit probleem.

Ik toog dus naar huis met mijn voorschrift en besloot dan toch maar wat insuline toe te dienen. De waarde van 507 (de bedoeling is zo ergens rond de 100, oeps) is bij deze gecorrigeerd en zal met een stevige dosis insuline hopelijk weer in betere regionen belanden. Ik kan wel janken nu, want dat zorgt voor paniek. De suiker van een eetbui (400gr snoep als ontbijt, mijn beste) wegspuiten, dat is totally not done in eetstoornisland. We willen echter weg uit eetstoornisland, en het liefst ook snel, als ik nog ergens serieus genomen wil worden en wil dat mijn diabetesteam mij ook niet laat vallen als een baksteen, dus dan moet het maar. Het liefst zou ik deze rotgevoelens wegslapen, maar helaas, pindakaas, er moet gewerkt worden. Ik adem mij dus wat door de paniek heen, ik probeer me op de paar e-mails die in deze prekerstperiode nog binnenkomen te concentreren en ik probeer vooral niet weer in de fout te gaan.

Soms weet ik niet of ik nog wel wil. Of kan. Tot ik daaruit ben, doe ik toch maar wat voort. En hoewel de huisarts er waarschijnlijk eens zijn wenkbrauwen bij zou fronsen en mijn endocrinoloog het misschien ook niet helemaal met me eens zou zijn; er is vooruitgang. De afgelopen week heb ik drie van de zeven dagen echt insuline gegeven zoals het hoort. Dat betekent niet dat mijn waardes dan prima zijn, maar dat is het tweede luik van de zaak. Daar moet aan gesleuteld worden, maar daar gingen de arts en het team voor zorgen. Die drie dagen waren een overwinning op mezelf en kostten me heel veel moeite. De stap naar gewoon normaal doen is nog heel groot, maar je moet ergens beginnen.

Kop in het zand.

Morgen heb ik een afspraak bij de huisarts. Mijn schouder/nek doen al weken enorm veel pijn en ik heb het er wel wat mee gehad. Bovendien heb ik de afgelopen weken ook twee keer een migraine-aanval gehad (nog nooit eerder mogen meemaken, wat een hel is me dat!) en ik begin me af te vragen of er geen verband is. Ik heb de afspraak al even uitgesteld, want ik ben een beetje bang. Normaal gezien moet ik dit keer geen dochter meezeulen en is er dus meer ruimte voor een gesprek. Bovendien zal hij vermoedelijk het verslag van mijn endocrinoloog intussen hebben aangekregen en ik vrees dat zijn mond wat zal openvallen. Hij zal dus zeker weer gaan doorvragen hoe het gaat en of het niet beter is om tijdelijk weer te stoppen met werken. Ik wil niet stoppen, maar ik wil ook niet voort. Hmm, lekkere situatie.

Op het werk was er een sessie over burn-out. De voordracht zelf was nog redelijk, al gingen al mijn haren al overeind staan toen er plots gesproken werd over mensen die nu eenmaal een minder grote draagkracht hebben dan anderen. Excuseer? Zegt die hier nu echt dat de mensen die een burn-out krijgen eigelijk te zwak zijn? Zo mag het dan wel voelen en het mag me dan ook wel heel veel moeite kosten om dat niet te geloven, maar eigenlijk weet ik wel pertinent zeker dat ik in mijn leven al meer dingen heb moeten incasseren dan de meeste collega’s. Gelukkig maar, anders zouden de meesten er niet al te fris bijlopen.

En dan volgde er nog een gesprek met de collega. Ik vertelde dat ik een afspraak bij de huisarts had gemaakt, maar dat ik een beetje bang was om te gaan. Omdat mijn suiker heel slecht was (het gedeelte van eigen schuld heb ik maar even weggelaten) en omdat mijn bloeddruk heel hoog was etc. “Maar zou het voor u niet beter zijn om halftijds te werken?”, vroeg ze. Ik wil daar niet aan. Ik wil normaal meedraaien. Tenslotte is mijn job niet onmenselijk veeleisend en is de werkgever an sich niet slecht.

Alleen is de vraag of ik dat kan. En voor hoe lang nog. En aan welke prijs.

 

Bij de huisarts.

Mijn overvolle hoofd was vergeten dat ik mijn griepspuit nog moest laten zetten. Ik ben daar altijd nogal nonchalant in, maar gezien de huidige situatie wilde ik er toch maar voor gaan. Na veel gedoe ging ik dus gisteren met het vaccin naar de huisarts. 

‘Hoe gaat het met u?’, vroeg hij en alweer hoorde ik mezelf zeggen dat het niet zo goed ging. Ik voelde de paniek bij de beste man alweer opborrelen. Het is een jonge snaak, vol goeie wil en een en al vriendelijkheid, maar mentale issues zijn duidelijk niet zijn ding. Ik vertelde het een en ander, maar wilde hem tegelijkertijd duidelijk maken dat hij zich er niet mee hoefde bezig te houden. Hij sprak uit dat hij me dingen hoorde zeggen die hem toch deden denken dat het verstandiger was van weer te stoppen met werken. Ik heb hem ervan overtuigd dat dat voorlopig niet zal gebeuren. Hij begreep het wel, maar hij raadde me aan om toch goed naar mijn lichaam te luisteren. Uhu, dat is mijn specialiteit, he dokter. Kuch. 

Hij gaf mijn griepspuit en vroeg of hij mijn bloeddruk mocht nemen. ‘Doe maar’, zei ik, ‘maar niet verschieten, he’. Hij schrok toch. 

Ik rondde het gesprek nogal bruusk af en vluchtte zowat naar buiten. Er volgde nog een onhandige situatie van allebei en toen stond ik weer op straat, met ‘zorg goed voor uzelf!’ nog in mijn oren.

Ik ging naar huis en vrat me een ongeluk. Ik gaf er geen insuline voor. Ik bleitte een oog uit. Ik haalde de zoon af van school en voelde me zo labiel als de pest. Een snaar die op springen staat. That is me.